Uw browser (Internet Explorer 11) is verouderd en wordt niet meer ondersteund. Hierdoor werkt deze website mogelijk niet juist. Installeer Google Chrome of update uw browser voor meer internetveiligheid en een beter weergave.

Zoeken
Onderwerp

Seksuele diversiteit

Seksuele diversiteit gaat over variatie in het beleven en uiten van seksualiteit. Vaak bedoelen we met de term ‘seksuele diversiteit’ vooral variaties in seksuele oriëntatie.

Tussen de 10 en 12 jaar beginnen kinderen te fantaseren over wie ze leuk vinden, tussen de 12 en 15 jaar voelen jongeren zich vaak voor het eerst seksueel aangetrokken tot anderen. We noemen dat ook wel seksuele oriëntatie. Veel kinderen ontwikkelen een heteroseksuele oriëntatie (verliefd worden/seksueel gericht zijn op mensen van een andere sekse). Er zijn ook kinderen die alleen verliefd worden of seksueel gericht zijn op mensen van de eigen sekse.

Seksuele oriëntatie: homoseksualiteit, biseksualiteit etc.

Een jongen die op meisjes valt (en andersom), wordt heteroseksueel genoemd. Een jongen die op jongens valt, wordt homoseksueel genoemd en een meisje dat op meisjes valt, wordt lesbisch genoemd. Er zijn er ook kinderen die verliefd kunnen worden of seksueel gericht zijn op zowel jongens als meisjes. Dat noemen we biseksueel. Dit zijn de meest voorkomende seksuele oriëntaties, maar er zijn nog veel meer mogelijkheden. Er zijn ook veel mensen die zich heel bewust niet met een specifieke categorie (willen) identificeren: queer.

Aspecten van seksuele oriëntatie

Seksuele oriëntatie bestaat uit verschillende aspecten:

  • seksuele aantrekking (of verliefd worden)
  • seksueel gedrag
  • hoe iemand zich zelf noemt.

Deze aspecten hoeven niet altijd overeen te komen.

Voorbeeld: Een jongen voelt zich aangetrokken tot jongens, maar heeft geen seks met jongens. Of een meisje heeft wel eens seks met meisjes, maar noemt zich niet lesbisch, of biseksueel.

Als je openlijk uitkomt voor je seksuele oriëntatie kom je ‘uit de kast’ (coming out). Sommige jongeren laten dit voorzichtig merken, terwijl anderen het openlijk vertellen. Niet iedereen wil of kiest voor een coming-out.

Vervelende ervaringen

Leerlingen met lesbische, homoseksuele of biseksuele gevoelens krijgen vaker te maken met vervelende ervaringen zoals uitschelden, buitensluiten en roddels. Onderzoek wijst ook uit dat onder homoseksuele en biseksuele jongeren psychische problemen en depressieve klachten vaker voorkomen. Daarom is het extra belangrijk om een veilig schoolklimaat voor hen te realiseren en hen en hun gezondheid in de gaten te houden.

Welke vragen hebben leerlingen over seksuele diversiteit

Hieronder worden voorbeelden van vragen genoemd.

Leerlingen onder de 12 jaar

  • Hoe kan het dat hij twee moeders heeft?
  • Wat betekent homo?
  • Is een meisje lesbisch als ze voetbalt en alleen maar met jongens speelt?
  • Kunnen twee meisjes later ook trouwen?

Leerlingen boven de 12 jaar

  • Wanneer weet je dat je homo, lesbisch of bi bent?
  • Kun je iemand die homo of lesbisch is herkennen?
  • Hoe reageren ouders en vrienden meestal als je vertelt dat je homo, lesbisch of bi bent?
  • Hoe gaat seks tussen twee mannen of tussen twee vrouwen?

 

Lesgeven over seksuele diversiteit

Veiligheid en acceptatie zijn belangrijk voor de ontwikkeling van leerlingen. Lesbische, homoseksuele of biseksuele -leerlingen voelen zich soms niet geaccepteerd of krijgen te maken met vormen van negativiteit. Ook hebben sommige leerlingen moeite om hun eigen gevoelens te accepteren. Door les te geven over dit thema ondersteunt u de leerlingen en kunt u ervoor zorgen dat er meer respect komt tussen leerlingen.

Sommige docenten vinden seksuele diversiteit een lastig thema. Dit kan komen doordat er veel verschillende opvattingen, maar ook stereotiepe beelden zijn. Laat leerlingen vooral met elkaar in gesprek gaan. Zorg ervoor dat je dit gesprek goed begeleidt. In de les kun je algemene uitleg geven over seksuele diversiteit, bijvoorbeeld rondom de seksuele ontwikkeling van leerlingen. Maar een les kan ook gaan over het vergroten van de acceptatie rondom lesbische, homoseksuele of biseksuele personen. De volgende onderwerpen zijn in ieder geval goed om te behandelen:

  • ​Kennis. Leg uit wat de termen lesbisch, homo, biseksueel en transgender betekenen.
  • Relatievormen. Geef informatie over verschillende relatievormen (lat-relatie, samenwonen, samenlevingscontract, geregistreerd partnerschap, huwelijk, monogaam, open relatie). Deze relatievormen kunnen zowel tussen hetero-stellen als tussen stellen van dezelfde sekse plaatsvinden.
  • Verschillen in opvattingen. Over seksuele oriëntatie en genderidentiteit kunnen fundamentele (of religieuze) verschillen bestaan in de wereld en in de klas. Besteed aandacht aan deze verschillen en benoem de verschillende opvattingen die kunnen leven.
  • Persoonlijke verhalen. Laat leerlingen kennismaken met persoonlijke verhalen van leeftijdsgenoten die zelf homo, bi, lesbisch of transgender zijn. Op deze manier kunnen sommige leerlingen zich beter verplaatsen, wat respectvol gedrag kan bevorderen. Dit kan door een gastspreker uit te nodigen, maar ook door een film hierover te kijken. Op sommige scholen zijn Gender & Sexuality Alliances (GSA’s) opgericht. Een GSA is een groep leerlingen (en vaak ook docenten) die ervoor willen zorgen dat de school veilig is voor iedereen, ongeacht seksuele oriëntatie of genderidentiteit. Vaak worden er door GSA’s ieder jaar een aantal activiteiten georganiseerd, bijvoorbeeld op paarse vrijdag (tweede vrijdag van december) of op Coming Out dag (11 oktober).

Tip

Gebruik het boekje ‘Waar begin je? In gesprek met leerlingen en leraren over seksuele diversiteit’

Meer informatie vind je op de website van School & Veiligheid.